| |
|
"HET MATERIELE EXPERIMENT"
Reflections 11 Bouwtechnieken Sint-Lucas
Tekst: Ivo Vrouwe
Eindredactie en productie: Sarah Martens
Bladerend door de toonaangevende architectuurtijdschriften lijkt architectuur te zijn ontaard in een immateriële bezigheid. Tekenborden hebben plaatsgemaakt voor computers en maquettewerkruimten zijn bezweken onder de constant toenemende kwaliteit van digitale animatietechnieken. Hierdoor lijkt de architectonische werkplaats met verlaagde plafonds en klimaatinstallaties, die nauwelijks zijn opgewassen tegen het geweld van de gloeiende computers, te zijn ontaard in een ware sweatshop. Turend naar enorme beeldschermen van zoemende computers in plaats van spinnende naaimachines vecht de architect tegen RSI en overgewicht in plaats van de zwaartekracht der elementen en het onvolmaakt fysieke detail.
Ieder door de mens vervaardigd product communiceert. Hoewel jammer genoeg veel gebouwen deze stelling trachten te weerleggen is architectuur geen uitzondering op deze regel. De ervaring van architectuur brengt net als bij andere objecten associaties mee en stimuleert herinneringen; zij doet je aan iets anders denken dan haar drager, de stapel stenen waar zij uit is opgebouwd. Met een eigen vocabulaire communiceert de architect dóór architectuur met haar gebruiker of aanschouwer; de architect communiceert door het medium Architectuur het concept of idee.
Marshall McLuhan, een mediatheoreticus van medio vorige eeuw, omschreef media als een extensie van het menselijk lichaam. Zoals hiervoor beschreven zou het medium uitingen van onze zintuigen uitbereiden tot in het publieke domein door de werking van bepaalde zintuigen te versterken. Naast deze kwaliteit sprak McLuhan echter van amputatie van vermogens bij introductie van nieuwe media ten opzichte van het oude. Een digitaal tekenpakket zou bijvoorbeeld het gebouw levensecht animeren zonder het te hoeven bouwen. Gegevens als schaal, materialisatie en een derde dimensie zijn hiermee delen van het vocabulaire die bij het gebruik van het digitale ontwerp verloren gaan. Dit heeft tot gevolg dat veel architectonische instrumenten in dit digitale proces verloren gaan en ver na de ontwerpfase hun intrede doen.
Ik doe dit alles misschien een beetje cynisch en negatief voorkomen maar de overbrugging tussen deze scheiding van architectonische software en de constructieve en materiële hardware heeft in vele ontwikkelingen een grote en zeer interessante vlucht teweeg gebracht. De op het oog niet maakbare digitale architectonische droom- en misschien wel waanbeelden hebben op constructief gebied, industrie gestimuleerd mogelijkheden te ontwikkelen deze structuren te kunnen fabriceren en coördineren. Workshops en ambities van Mixed Media binnen Sint-Lucas en vele workshops en symposia over geavanceerde technieken hierbuiten getuigen van het feit dat deze ontwikkeling, naast de industrie, ook binnen de scholing van architectuur en constructie een plaats verkrijgen.
Deze impuls voor constructieve innovatie staat in directe dialoog met materiële ontwikkeling. Materialen als composieten, membranen en folies die eerder ondenkbaar waren in de toepassing op architectonische schaal doen hun intrede. Deze ontwikkelingen kennen veel sprekende voorbeelden maar vinden door verschillende redenen nog mondjesmaat hun weg naar de architectonische huid of bekleding.
Het feit dat deze geavanceerde vormgeving en materialisatie nog minder wordt toegepast zal eerder te wijten zijn aan de relatief moeilijke toegankelijkheid van deze constructieve principes en vormentaal, dan aan financiële argumenten. Grijpen we terug naar de mediatheorie dan zijn complexere vormen altijd informatiever dan hun eenvoudige tegenhangers. Een dubbel gekromd veelvormig vlak laat zich nu eenmaal moeilijker beschrijven dan de kubus. Er is meer rekenkracht en aansturing nodig deze vlakken, structuren en constructies binnen de architectonische schaal te kunnen beschrijven. De ambitie om dubbel gekromde vlakken binnen de architectuur te kunnen materialiseren heeft de eerder beschreven materiaalvoorraad van het architectonisch vocabulaire zeer verbreedt, de toepassing en het gebruik ervan vergt door deze moeilijkheid, veel materiaalspecifieke kennis en constructief onderzoek. De stap van het digitale ontwerp naar fysieke feedback wordt dan ook vaak te laat gezet waardoor de vormgeving van een droombeeld vaak in een nachtmerrie dreigt te ontaarden.
In reactie op deze late fysieke vertaling van het digitale model is het niet vreemd dat de discussie over tektoniek de laatste jaren nieuwe voeding heeft genoten. Het gebied waarop de discussie zich richt laat zich niet scherp omschrijven maar het fysieke experiment en materieel onderzoek heeft hiermee een grote impuls gekregen. Zwaargewichten als OMA en Herzog & de Meuron presenteren zich tijdens tentoonstellingen door middel van een Materieel Experiment en fysieke modellen in plaats van met de gebruikelijke renders en animaties. Bij meer progressieve architectenbureaus worden de modelwerkplaatsen weer ingericht en uitgebreid met modern gereedschap om zo in een vroeger stadium met het materiële experiment tot fysieke feedback te kunnen aangaan.
Gezichtsloze Architectuur
De dubbel gekromde, grillige of juist volmaakte architectonische oppervlakken tonen zich in mijn beleving als een welkome reactie op de erfenis van het late modernisme. Vreemd genoeg kennen de ambities van dit modernisme en de digitale vormgeving gelijkenissen. Beiden ambiëren volledige of partiële industrialisatie van de architectuur.
In tijden van het vroege modernisme kon industrialisatie enkel bestaan bij massaproductie. Deze architectuur werd hierdoor uitgevoerd binnen een bijna militair model met één maat voor iedereen tot gevolg. Deze vaak gezichtsloze architectuur drukte de toen rijk geornamenteerde cultuurgebonden architectuur van de schaduw de afgrond in. Door alle oneffenheden weg te masseren ontstond het volmaakte oppervlak waar deze monocultuur op zou kunnen bestaan.
Dat deze modernistische ambities moeilijk haalbaar zijn is gebleken. De toenemende diversiteit binnen onze cultuur is geen goede voedingsbodem gebleken het volmaakte oppervlak te kunnen behouden. Hierbij bleek de efficiënte bouw met gebrek aan ornament en herkenning weinig mensen aan te spreken.
Wanneer we nog van een sluitend beeld van onze modernere cultuur kunnen spreken, is het door de diffuse invulling ervan, een sterk groeiende uitdaging gebleken om cultuurafhankelijke architectuur te kunnen bedrijven. Het gebrek aan mogelijkheden voor bewoners en toeschouwers middels architectuur, ornament of andere persoonlijke invulling gezicht te geven aan hun identiteit en culturele invulling resulteert jammer genoeg toch vaak weer in richtingsloze en onpersoonlijke architectuur die veel wegheeft van de modernistische voorganger waar zij zich maatschappelijk gezien tegen af zou moeten zetten.
Trends en Architectuur
De vluchtigheid van mode en trends in de westerse cultuur is één van de factoren die het moeilijk maken een helder beeld uit de desbetreffende samenleving te kunnen abstraheren. Naast de eerder genoemde verbreding in de moderne cultuur is er door het vluchtige gedrag van moderne stijlen en trends tevens sprake van versnelling waardoor algemene beweging exponentieel toeneemt. Wanneer bijvoorbeeld gekeken wordt naar een klassieke stijl als de Renaissance duurde deze ongeveer 180 jaar (1400-1580). De jongere stijlen als het romanticisme duurde daarentegen ongeveer 30 jaar (1820-1850) en modernere stijlen als Pop art net aan 10 jaar (1960-1970). Hiermee wil ik niet stellen dat de levensduur van architectuur als gevolg van deze ontwikkeling werd teruggedrongen. Wel zou de wetenschap van deze tendens zou echter wel in de architectuur zijn weerslag moeten vinden.
Dat de snelheid van trends toegenomen is heeft echter geen reactie op het gedrag van de trends gehad. De toenemende snelheid is kortweg rechtevenredig aan de toenemende snelheid en massa van media en vervoer gebleken. Door trends en stijlen heen hebben technologie en architectuur zich altijd als een trager proces bewezen dan meer vluchtige tegenhangers als mode en accessoires. Veranderingen nemen binnen technologische ontwikkelingen relatief veel tijd in beslag. Waar het voor cosmetica 3 jaar duurt om het proces van trendsetter tot conservatief persoon te ondergaan duurt het voor interieur en architectuur 12 tot 18 jaar om ditzelfde proces door te maken. Dat deze levensduur enkel al uit het oogpunt van duurzaamheid moeilijk haalbaar is, blijkt het voor architectuur een steeds grotere uitdaging zich naast cultuurafhankelijk ook stijlgevoelig te gedragen.
Naast de verbreding van culturele invulling is het vooral de versnelling van stijl die funest is gebleken voor de visuele levensduur van architectuur. Deze beweging is voor mij een reden geweest architectuur meer als een proces met een open einde te ervaren dan als een project dat na oplevering gedoemd is te verouderen. Architectuur als een systeem waar het stramien van bepaald is maar de invulling zich van tijd tot tijd laat aanpassen aan de behoefte.
Textiele Technieken
Gezien gebouwen een geschiedenis kennen van voornamelijk statische elementen valt het niet mee architectuur aan te laten passen aan wisselende behoeften. Vergeleken met mode blijkt de aanschaf van een nieuwe trui een eenvoudiger proces te zijn dan het vervangen van het interieur van een woning of het veranderen van een gevel van een gebouw. Toch ben ik wel van mening dat een oplossing voor het adaptieve en dynamische karakter van architectuur in deze hoek gevonden kan worden.
Kleding is een middel waarmee men net als bij architectuur nonverbaal communiceert binnen een cultuur. Men onderscheid zich door middel van kleding als individu maar maakt tegelijkertijd bewust dan wel onbewust deel uit van een groep. Doordat de mens behoefte heeft aan communicatie lijken de gezichtsloze stedelijke façade en beperkte mogelijkheid tot persoonlijke uiting binnen het architectonische medium door kleding en accessoires te worden gecompenseerd. Het individu heeft op deze wijze door de eeuwen heen een non-verbaal vocabulaire opgebouwd. Door te communiceren in visuele clichés en vormentaal kunnen individuen onderling een indruk achterlaten zonder een woord te wisselen waarmee zij een persoonlijkheid, identiteit en eigenheid overbrengt.
Architectuur kent binnen haar instrumentarium een soortgelijk vocabulaire. Door middel van een doordachte vormentaal en verfijnde materialisatie is het, zoals in de inleiding genoemd, mogelijk via architectuur te communiceren. Doordat deze kwaliteit sinds het modernisme in een groot deel van de gebouwenvoorraad minder direct wordt geïmplementeerd heeft de menigte echter meer moeite dit vocabulaire te verstaan. Vaak is het vocabulaire en daarmee de boodschap enkel door een kleine groep enthousiastelingen en professionals leesbaar. Gezien non-verbale communicatie pas mogelijk wordt wanneer grote delen van het vocabulaire een cliché verworden, lijkt het een lange weg deze vanuit de huidige voorraad weder op te bouwen. Wanneer het architectonisch vocabulaire wordt verrijkt met de meer herkenbare textiele vormentaal zou een bredere groep middels het gebouw aangesproken worden. Een bijkomend voordeel van textiel en textiele technieken is dat zij licht zijn en over het algemeen minder duurzaam. Als deel van een geheel zouden zij van tijd tot tijd vervangen moeten worden en zo dynamica en een cultuurgebonden ontwikkeling met een open einde in de hand werken.
“Gevonden” Vormentaal
De vertaling van de microtektoniek van kleding en textiele vormgeving naar een macrovariant voor architectuur is een boeiend proces. De vormentaal van textiele technieken op architectonische schaal zal zich namelijk vaker laten “vinden” dan dwingen. Door middel van formfinding (een vormoptimalisatie van het oppervlak), generatieve processen en scripting is het mogelijk grip op deze technieken te krijgen en zo vorm te kunnen leiden.
Gezien deze vertaalslag door haar lichtgewicht en minimale materiaalgebruik vaak vraagt om progressieve materialisatie zien we dat materialen als membranen, folies en composieten steeds vaker worden toegepast. Omdat deze materialen en hun constructieve mogelijkheden en vormgedrag onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn zien we het top-down ontwerpproces, waarbij uitgegaan wordt van een ontwerp dat wordt gematerialiseerd, verschuiven naar een bottom-up benadering, waarbij uitgegaan wordt van een materiaal of techniek vanwaar een vorm gekregen wordt. In plaats van de vorm als uitgangspunt welke later wordt gematerialiseerd en geconstrueerd wordt gestart met een materiaal of techniek met aanverwante constructieve mogelijkheden en vormentaal. Bij deze benadering is kennis van deze technieken cruciaal om de beoogde vorm te kunnen verkrijgen of benaderen.
Materieel Experiment
“Wat, bijvoorbeeld, zwemmen betekent, leren we nooit door een verhandeling over het zwemmen. Wat zwemmen betekent, leert ons de sprong in de stroom. Zo leren we pas het element kennen, waarin het zwemmen zich moet bewegen.” (Martin Heidegger, 1991: pp. 40)
Concluderend mogen we vaststellen dat architectuur bedrijven zonder kennis en wetenschap van materialen en constructies het bereiken van het beoogde resultaat sterk beïnvloed. Hierom wordt in de opleiding Interieurarchitectuur op Sint-Lucas, naast de verschillende media-ateliers waarin de student wordt voorbereid op de digitale werkelijkheid, onder andere het vak Materialen ingezet om de digitale en tweedimensionale ideeën volume te geven en zo van een fysieke feedback te kunnen voorzien. Om dit vak zo fysiek mogelijk te kunnen ervaren staan theorie, oefening en workshop in continue dialoog met elkaar.
Om het vak Materialen vanuit hiervoor beschreven richtingen te kunnen belichten worden drie benaderingen bekeken. In het eerste jaar zal een bottom-up benadering vanuit het materiaal bekeken worden. Verschillende materialen worden tijdens dit jaar bekeken op hun eigenschappen en bewerkingstechnieken. Vanuit deze kennis wordt in het tweede jaar gekeken welke functie(s) het materiaal zou kunnen vervullen. Om interieur zich niet als enkel decor te laten gedragen of samengesteld te laten worden uit enkel een optimum in functionaliteit, worden naast het functionele pakket, de tektonisch en visuele kwaliteiten van materialen onderzocht. Zo wordt een start gemaakt om de materialisatie van de constructie of het element zelf een bijna dichterlijk vermogen te geven, materialisatie op deze wijze een decor van zichzelf te laten worden.
Omdat in architectuur vaak wordt uitgegaan van een vorm of ontwerp welke later wordt gematerialiseerd, wordt in het tweede jaar naast de tektonische en visuele kwaliteiten een top-down benadering bekeken. Uitgaande van een halffabricaat, constructieprincipe, toepassing of ontwerp wordt gekeken welke mogelijkheden er zijn deze te materialiseren.
In het derde jaar vormen digitale productietechnieken het uitgangspunt. Uitgaande van een vorm wordt gekeken welke productietechnieken hiervoor ingezet kunnen worden en welke materialisatie het ontwerp tot beoogde resultaat kan brengen. Om de verschillende benaderingswijzen te kunnen onderzoeken en tweedimensionale theorie aan de hand van voorbeelden, oefeningen of driedimensionale feedback te kunnen ervaren worden tijdens colleges kleinschalige onderzoeken gedaan en oefeningen uitgevoerd. Ruimte om het ontwerpend vermogen met betrekking tot materialisatie op grotere schaal te kunnen vergroten is er tijdens de Materialen Workshop.
Inhakend op de bottom-up benadering vormt bij de eerste workshop het materiaal een uitgangspunt tot het ontwerp. Veel studenten bleken goed met deze opdracht uit de voeten te kunnen. Denkende vanuit het materiaal leken zij goed in staat een verrassend resultaat te kunnen verkrijgen. Voor andere ontwerpers leek de opgave echter te abstract. Door ambitie vanuit een duidelijk omschreven interieuropdracht architectuur digitaal te kunnen modeleren leek het materieel experiment aan aandacht ingeleverd te hebben.
Uitgaande van de top-down benadering vormt in de tweede workshop een constructietypologie het uitgangspunt tot materialisatie in een gegeven materiaal. Analyse van materiaaleigenschappen moeten hier leiden tot een puur materiaalgebruik en een breed gebruik van vorm- en vervormingmogelijkheden. Tijdens de materiaalanalyse bleken de studenten goed in staat de verschillende materiaaleigenschappen uiteen te zetten. De uitdaging lag hier dan ook voornamelijk in de vertaling van materiaaleigenschappen naar een ontwerp, het te verkrijgen product. Voorbeelden van de derde workshop kent deze collegereeks nog niet. In deze workshop zullen productie en verwerkingstechnieken het uitgangspunt vormen.
Iedere workshopdag wordt afgesloten met presentaties van de verschillende ontwerpen en onderzoeken. Door deze manier van werken wordt getracht de studenten door het werk van elkaar te laten inspireren. Gezamenlijke problemen kunnen hier besproken worden en het onderlinge werk bekritiseerd.
Door de verschillende benaderingen, top-down en bottom-up, vanuit zowel theorie als praktijk te benaderen probeert het vak Materialen het materieel experiment en materiaalkennis een plaats te geven binnen het ontwerpproces en op deze manier de ontwerper een rijkere voorraad gereedschappen te geven een ontwerp te kunnen vervolmaken. Vanuit een overzichtelijke start wordt stapsgewijs kennis over geavanceerde technieken en materialen opgebouwd om zo een brug te vormen van het tweedimensionale model naar een driedimensionale werkelijkheid waarmee het ontwerp meer verwordt dan een plaatje op de muur of gigabites op een schijf.
Ivo Vrouwe
Bronvermeldingen:
MITCHELL, William J., Placing Words, Symbols, Space, and the City, Cambridge, Massachusetts: The MIT Press, 2005, pp. 08.
MCLUHAN, Marshall, Media begrijpen, extensies van de mens, Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds, 2002.
MULDER, Arjen, over mediatheorie, taal, beeld, geluid, gedrag, Rotterdam: V2_/Nai Uitgevers, 2004.
BRAUNGART, Michael; MCDONOUGH, William, Cradle to Cradle, Afval = Voedsel, Heeswijk: Search Knowledge B.V., 2007, pp. 38, 43, 146.
VEJLGAARD, Henrik, Anatomy of a trend, New-York: McGraww-Hill books, 2008.
HEIDEGGER, Martin, Over denken, bouwen, wonen, Vier essays, Nijmegen: Uitgeverij SUN, 1991, pp. 40.
Back to top
|